Eind jaren veertig werkt Fiat aan de ontwikkeling van een grote sedan, met een zeventig graden tweeliter V8. Omdat die auto te zwaar en te langzaam blijkt, blaast men het project af. De motor blijft ongebruikt liggen totdat de technici hem besluiten te gebruiken voor een nieuw te construeren sportwagen. Die auto moet het visitekaartje van de firma uit Turijn worden, een verzameling van alle technische hoogstandjes binnen Fiat.

Zo ontstaat de Otto Vu (Italiaans voor 8V, een verwijzing naar de motor), die in 1952 op de Salon van Genève zijn debuut beleeft. Met dubbele carburateurs schopt de motor het tot 105 pk (later zelfs 115 – 127 pk met drie carburateurs en een hogere compressie). Het grotendeels uit lichtmetaal vervaardigde onderstel bezit rondom onafhankelijke wielophanging (voor het eerst bij een Fiat), die grotendeels is ontleend aan de voorwielophanging van de Fiat 1100.

De door Fiat zelf ontworpen carrosserie is in de windtunnel van de technische universiteit van Turijn fijngeslepen, met als gevolg een zeer aërodynamische koets. Daardoor kan de Otto Vu een voor die tijd astronomische topsnelheid bereiken van 190 km/h. De stalen koets is bevestigd op een buizenchassis. Tussen 1952 en 1954 bouwt Fiat 114 chassis’ van de Otto Vu, waarvan vele een speciale carrosserie krijgen aangemeten door Vignale, Ghia, Bertone en Pininfarina.

Fiat 8V demon Rouge Vignale

Fiat 8V Berlinetta Zagato

Fiat 8V Berlinetta