Fabeltjesland 2 (Restauratie van TC 1772, dl 5) 

Op het restauratiefront gebeuren gelukkig geen schokkende dingen. Buiten het bereik van mijn onkundige handen werkt Bert Hijnekamp in Wageningen aan de revisie van de motor. Het blok is gelijnboord en  voorzien van nieuwe lagers. De krukas is geslepen. De cylinderbussen zijn vervangen door nieuwe, welke worden gehoond tot de diameter van de oorspronkelijke maat zuigers. De originele drijfstangen zijn zowaar  weer bruikbaar. De cylinderkop ziet er al veelbelovend uit. 

In een vlaag van ongeremde kippendrift heb ik een half jaar geleden m’n achter-schokbrekers naar het perfide Albion opgestuurd; naar ene Graham. Zo nu en dan belde ik Graham. Als ik hem met zo’n dier uit de Fabeltjeskrant moet vergelijken, dan denk ik dat Graham het beste is te vergelijken met Bor de Wolf. Gevraagd naar de toestand van m’n schokbrekers, heft Graham een jammerlijk gehuil aan, alvorens  een waslijst van uitvluchten af te raffelen. Persoonlijk had ik liever met Zoef de Haas van doen gehad. Hoewel de kneuterigheid van de limeys aan de ene kant vertederend werkt, kunnen ze door hun traagheid goedmoedige sukkels moeiteloos in bloeddorstige beesten veranderen. Maar via een kennis die naar Beaulieu is geweest, zijn ze nu dan toch eindelijk (netjes gereviseerd) weer terug. 

Ondertussen de tijd gedood met het controleren op hun werking van wat elektrische accessoires. De dynamo deed het. Maar Teun uit Friesland had zich vorig jaar ook al laten ontvallen dat ‘ie per ongeluk een goeie had meegegeven. (Je kan zeggen wat je wil, maar Friezen zijn over het algemeen inderdaad goudeerlijk.) De startmotor draaide wat langzaam, maar deed het ook. Maar de samenwerking met de starterkrans gaat niet lukken, omdat hun gebitten niet in elkaar passen. 

Maar aan de SU brandstofpomp heb ik wel veel plezier beleefd.  Teun had er twee meegegeven, met de opdracht om van twee , één van te maken. En dat lukte inderdaad. Optisch…, tenminste. Na aansluiten op een ouwe accu kwam er een aarzelend “tak…” geluid uit. Na enige tijd weer “tak…”. Net een bovenbuurman met een houten poot , die niet weet waar die ‘m neer zal zetten. Het was duidelijk dat de pomp aan een verjongingskuur toe was. Op naar Anglo-Parts, want die woont praktisch bij me op de hoek. Die jongens zijn inderdaad niet goedkoop, maar ze hebben wel heel veel en ook in voorraad. En omdat Arco Rijngoudt zelf ook restaureert, weet hij bruikbare adviezen mee te geven. De aanschaf van het handige SU revisie setje heb ik niet betreurd. Zo’n doosje staat garant voor minstens een halve dag revisieplezier.  Ouwe pomp van z’n ingewanden ontdoen, roest afschrapen en de spulletjes uit het plastic zakje er op gemonteerd. Wel heel nauwgezet de gebruiksaanwijzing volgen. 

Als alles er op zit, het geheel weer op de  accu aansluiten. Het harde ratelende geluid dat uit het apparaatje opstijgt,  klinkt als muziek in de oren.  “Takketakketak…”. Staccato fortissimo! Het deed me tegelijk weer denken aan het nostalgische geluid van een Lewis Machinegeweer uit de Eerste Wereldoorlog. De ouderen onder U weten wel wat ik bedoel. In m’n verbeelding zit ik weer in het cockpitje van m’n tweedekker, met genoemd machinegeweer vlak boven m’n hoofd. Door het bespikkelde ruitje ontwaar ik de rode driedekker van die schoft van een Manfred von Richthofen, die recht op me af komt. Oké, het is inderdaad een baron en een gentleman, maar het blijft toch een Duitser. Dus trek ik de knuppel naar achteren voor een  immelmann, gevolgd door een halve roll over rechts, leg het krat weer recht en zit gelijk in schietpositie achter ‘m. Meteen vuren: “Takketakketak…”. Een steekvlam en daar schiet de Rode Baron al rokend onder me door. “Goed gedaan, ouwe jongen”, mompel ik in mezelf.  “Jan, wakker worden …,we gaan eten”, klinkt de stem van Truus de Mier uit de verte. Diepe zucht. Vrouwen zullen altijd de ankers zijn waarmee we levenslang met deze materiële wereld blijven verbonden.  

Het maken van de houtjes voor de kuip heb ik uitbesteed aan Momfer de Mol in Limburg (zie Fabeltjesland 1).  Ik mocht Momfer al gelijk bij de eerste aanblik, echt de uitstraling van een degelijke vakman. Ik bel hem zo nu en dan om naar de voortgang van de werkzaamheden te informeren. Als ik bij zo’n gelegenheid vraag wat het allemaal gaat kosten (ik ben ook maar een mens van vlees en bloed), is  de verwondering over deze vraag aan de andere kant van de lijn bijna voelbaar. Als Momfer dan van z’n verbazing is bekomen, antwoordt hij met zangerig Limburgse tongval: “Tja…, dat weet ik echt niet hoor”.  Kijk, dit soort reacties geeft mij de zekerheid dat ik hier met een echte kunstenaar te maken heb. Het werk staat voorop, het slijk der aarde is bijzaak. De Corneille van het TTO-wereldje. Mijn verwachtingen zijn dan ook hoog gespannen. Misschien maakt die ze wel van bronsgroen eikenhout.  

Jan Broers (20 sept. 2006)