Rare snaken (Restauratie van TC 1772)

bert hijnekampMet het restaureren van een oude auto gaat er een nieuwe wereld voor je open. Het is een wereldje op zich. En het gezegde “Hoe ouwer, hoe gekker”, geld niet alleen voor de bejaarde auto’s, maar ook voor verschillende van hun bestuurders. Voor de meeste onder hen zijn hun  auto’s wezens met een levende ziel. Sommigen zijn samen met hun auto vergrijsd en zijn evenals hun auto’s opvallende buitenbeentjes . Rare snaken. Goed voor het TV-programma Showroom. Wie herinnert zich niet die vijftiger, die door zijn vader te jong werd bevonden om in een Bugatti te rijden. En elke keer als hij het woord “Bugatti” uitsprak, door emoties werd overmand. Geweldig!! Dat in deze tijd van moord, loverboys en terrorisme nog zulke verfijnde vormen van romantiek bestaan. Sinds ik me als een necrofiel verlustig aan  het lijk van een 60 jaar oude MG , ben ik veel van dit soort paradijsvogels in levende lijve tegen gekomen . Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: een verrijking van m’n stoffige bestaan. Hoewel, er zijn een paar uitzonderingen.

Daar is in de eerste plaats Barend Bovenligger, een geboren Utrechter. Van verre reeds herkenbaar als een tevreden mens. Vooral tevreden met zichzelf. Zwarte cape, vuurrode sjaal en zijn lange grijze haren worden bedekt door een zwarte breedgerande hoed (“Flambard heet zo iets, jochie”!). Wat Barend niet weet over oude MG’s, is de moeite van het weten absoluut niet waard. Hij weet alles en dat wil hij weten ook. Elk mens streeft in zijn korte leven naar bevestiging en niets menselijks is Barend vreemd. Maar  het maakt ‘m ook zo voorspelbaar. Voorbeeld. Als ik hem trots mijn eigenhandig gereviseerde verdeler toon, weet ik al van tevoren dat ‘ie niet zal zeggen: “Goed gedaan, jochie”.  Neen, het wordt iets in de trant van : “Dat lijkt heel leuk, jochie, maar heb jij er wel aan gedacht om een beetje Ooievaars Kuitenvet op de as te smeren”?  Bedremmeld stamel ik dan een ontkennend antwoord. Dit zijn de momenten die voor Barend het leven de moeite waard maken. Terwijl zijn neus krult, legt hij me uit dat het geen gewoon vet moet zijn, maar vet afkomstig uit het scheenbeen van een mannelijke Senegalese Dwergooievaar. En van groot belang: geschoten in de paartijd. Zonder dat loopt de verdeler geheid binnen een minuut vast. Zoveel technische kennis laat niet na me altijd weer versteld te doen staan. Barend Bovenligger geniet duidelijk meer van z’n eigen ego dan van oldtimers.

En dan hebben we Meindert Mieremeter. Door het jarenlang bestuderen van de kleine lettertjes is hij toegerust met een grote hoornen bril, model jaren zeventig (in die tijd plastisch een “fok” genoemd). Meindert is een geboren purist en streeft naar de absolute perfectie. Het zal geen verbazing wekken dat de oldtimer van Meindert er gloedjenieuw uitziet. Een beetje een auto zonder ziel, maar wel heel knap gerestaureerd. Het tragische is alleen dat Meindert zelf niet van de schoonheid van z’n auto kan genieten. Want hij ziet geen oldtimer meer, maar een verzameling van perfecte onderdelen. Bij elkaar gehouden door perfecte bouten en moeren, allemaal van de juiste opschriften voorzien.  Meindert streeft ook naar 100% originaliteit. Bij Britse oldtimers van voor de oorlog is dat een hachelijk streven, omdat deze auto’s grotendeels met de hand werden gemaakt en elke dag wel met kleine configuratiewijzigingen van de band werden gedouwd. Een ideaalbeeld van “het originele type” is een plezier bedervende hersenschim. Niettemin dient de  restaurandus (iemand die restaureert) er naar te streven zijn auto weer in die staat terug te brengen. “Al het andere is knoeiwerk, zonde van het geld”, is Meindert’s heilige overtuiging. Zijn auto is dan ook nooit af; altijd zal er nog wel een moertje in zitten waarop aan de zijkant dat ene sterretje ontbreekt. Meindert Mieremeter geniet meer van details dan van oldtimers.

Tot slot Willem Witwasser, die handige jongen uit Amsterdam. Gezonde blos op de konen en een flink afdakje boven z’n gereedschap. Willem is behoorlijk “zwaar geladen” en heeft zijn kapitaal verdiend met de snelle vastgoedhandel. Daar is niks mis mee, als je maar niet te veel scrupules hebt. Storend aan Willem is evenwel de zekerheid, waarmee hij denkt met z’n poen alles te kunnen kopen. Komt een showroom met pre-war MG’s binnen en wijzend op een tweekleurig blauwe MG PA uit 1935,  bralt hij: “Geef me die maar, goser. Leuk verfje heb dat ding”. De winkeleigenaar fronst de wenkbrauwen en vraagt: “Wilt U niet eerst een proefrit maken”?  Dat hoeft voor Willem niet. “Niet nodig, die krenge rijden toch voor geen meter. Hij is voor me vrouw, weet je wel. Die wijfies vinde zo’n karretje wel leuk. En die klerehummer van ‘r is een beetje te vet voor de P.C.Hooftstraat. Hoeveel krèg je van me”? Het is dat je als handelaar ook een gezin hebt te onderhouden, anders zou je zo’n patser toch zo je zaak uit mikken. Ook Willem geniet niet van oldtimers. Waarvan wel …,dat wil je liever niet weten. Op Willem Witwasser kom ik volgende keer nog even terug.

Voor ik het vergeet, het gaat goed met TC 1772. Als ik zeg dat het motorblok is gereviseerd, dan bedien ik me van een “understatement”. Want het blok is praktisch nieuw en zoveel mogelijk in de “originele staat” terug gebracht.  Nou nog de versnellingsbak. Met het opstarten wacht ik tot het voorjaar. Je moet zulke dingen niet overhaasten. Restaureren van een ouwe MG blijkt een gezellige hobby. Voor mij mag het daarom nog wel even duren. Want het schijnt dat “zo’n kreng” inderdaad voor geen meter rijdt.

 

Jan Broers