Een zondagskind.(Restauratie van TC 1772 dl 10)

In de vorige aflevering heb ik beloofd om uit de doeken te doen hoe opa het flikte om z’n voorliefde voor grote auto’s en dito vrouwen te combineren met een leven als zeeman. Deze Jan Broers werd in 1890 op een mooie zondag in Enkhuizen geboren, bezocht de Zeevaartschool in Amsterdam en voer op z’n negentiende jaar als stuurman het zeegat uit. Kortom, leek in de wieg gelegd om z’n leven op zee door te gaan brengen. Het lot wilde evenwel anders.Wellicht was de geringe lengte van de man (hij kwam niet boven de 1m60 uit) oorzaak van een en ander. Want Moeder Natuur had deze tekortkoming liefdevol gecompenseerd met intelligentie en een uit de kluiten gewassen ego. Lijkt ideaal, maar bij elkaar resulteerde dit echter in een mannetje dat soms heel onprettig uit de hoek kon komen. Zo wist hij verbaal de stoerste kerels binnen de kortste keren tot stamelende stumpers te reduceren en lamme goedzakken werden moeiteloos met enkele welgekozen bewoordingen in bloeddorstige beesten veranderd. En zoiets gaat natuurlijk een keer goed fout.In zijn tijd als stuurman bij de Kon. Pakketvaart Maatschappij voer hij altijd in tropische wateren. De meeste matrozen waren dan ook oosterlingen. Uiterst gezeglijke jongens die meestal braaf hun werk deden. Totdat onze stuurman op een keer meende -op zijn eigen karakteristieke wijze- een forse Menadonees corrigerend toe te moeten spreken. Had ‘ie beter aan de bootsman over kunnen laten. Want de man z’n ogen begonnen al snel stuurloos in hun kassen rond te draaien en hij kreeg het schuim op de lippen. Toen hij ook nog een gevaarlijk uitziend mes achter uit z’n gordel trok, was opa intelligent genoeg om te beseffen dat actie geboden was. Hij maakte rechtsomkeert en zette het op ’n lopen.  De inlander ook niet lui, in gestrekte draf er achter aan. Pas nadat dit komisch aandoende duo twee keer het schip was rond gerend, vonden de overige  schepelingen dat het genoeg was geweest en sprongen er tussen. Omdat de hoge heren van de Pakketvaartmaatschappij vreesden dat de dekzwabbers wellicht de verleiding niet zouden kunnen weerstaan om hun stuurman een keer ’s nachts stiekem aan de haaien te voeren, boden ze hem snel een baan aan als vertegenwoordiger van de maatschappij aan de wal (Ned. Indië). Deze functie (“walkapitein” was de officieuze titel) bleek een herenbaan. Een riant kantoor met makkelijke fauteuils en een bureau met in de laden sigaren en jenever. Echt een job om oud mee te worden. Alleen als in de haven het geluid van een stoomfluit weerklonk, dan was er serieus werk aan de winkel. Dan stopte de walkapitein een fles jenever met twee glaasjes in een koffertje en repte zich naar de haven om samen met de kapitein van het aangemeerde schip op de goede afloop te drinken. Hij had wat dat betreft wel veel weg van Haddock, die kapitein uit de Kuifje-stripboeken.Tijd genoeg dus om tussen de bedrijven door in een auto rond te toeren en goede sier bij het vrouwvolk te maken. Daarom schafte hij zich in 1926 een Hupmobile Tourer aan (een 4-persoons cabriolet met een acht-cylinder lijnmotor in de machinekamer). Deze twee-en-een-halve ton zware auto was natuurlijk veel te groot voor ‘m, maar daar zat hij niet mee. Gewoon de voorbank verhogen en blokken op de pedalen. Hij moest dan nog wel tussen de spijlen van het stuur door loeren, maar bleef duidelijk zichtbaar voor bewonderende blikken. En daar ging het om, “want adverteren doet begeren” was z’n motto.                 In die goeie ouwe “Tempo Doeloe” -tijd was het onder de kolonialen veelal gewoonte om ’s avonds in de “de soos” nog even een kaartje te leggen en een borreltje te drinken. Van Bob had nog niemand gehoord en bovendien was het aantal auto’s op straat verwaarloosbaar klein. Zeker ’s avonds. Dus toen opa op een keer -met het gebruikelijke rantsoen jenever in z’n kraag- in het nachtelijke uur z’n slagschip op wielen weer naar huis laveerde, kwam hij als gebruikelijk niemand tegen. Wel hoorde hij even een vreemd “kloenk”-geluid.

Niettemin zonder problemen thuis gekomen.  De “morning after” werd hij uit z’n bed werd gebeld door een politie agent die hem beleefd verzocht mee te komen naar de Hupmobile. Toen de walkapitein z’n ogen had uitgewreven, ontwaarde hij een lantaarnpaal die onder de auto hing. Lantaarnpalen waren in die tijd in onze voormalige kolonie van hout en stonden heel ver uit elkaar, net als de bomen in Siberië. Niettemin was de zeeman op het droge er toch in geslaagd om er één omver te rijden. Het armatuur was achter de voorbumper blijven haken en de paal hing onder de auto. Ongeveinsde verbazing . “Nee hoor, helemaal niks van gemerkt, agent”. Nou moet ik er wel bij vertellen dat de bumpers van “de Hup” veel weg hadden van een dubbel stel spoorstaven en goed een stootje konden verdragen.

Het zal duidelijk zijn dat tropenjaren behoorlijk slopend waren voor een eerlijke zeeman. Daarom telden ze dubbel voor het pensioen. Dus ging m’n grootvader op zijn 45ste jaar met pensioen en consumeerde tot z’n 91ste  in goede gezondheid veel sigaren en jenever. En werd tenslotte op de koop toe ook nog in een dikke Amerikaan naar het kerkhof gereden. Typisch voorbeeld van ’n zondagskind.

Ondergetekende is ook op een zondag geboren en mag over geluk eigenlijk ook niet klagen. Maakt veel fouten, maar krijgt ook veel hulp. Zeker waar het de restauratie van m’n TC betreft. Het “running chassis” wordt steeds mooier, zeker nu de met veel tin en koper strak gemaakte –en verchroomde grilmantel de radiator siert. Volgens de kenners zijn de grilmantel en de geverfde spijltjes erachter, de edele delen van een MG TC en daarom optisch gezien, belangrijker dan al het andere bij elkaar. Ik kan me zelf in het chroom spiegelen. Mijn zelfvoldane glimlach krijgt in het vertekenende spiegelbeeld echter iets van een waanzinnige grijns en wekt de indruk dat ik aan tropenkolder lijd.  De vier jaren die ik voor deze restauratie heb gepland, beginnen dan ook als tropenjaren aan te voelen. Slopend voor de geest. Want als ik de rekeningen van alles wat de restauratie van MG TC nr 1772 onderhand heeft vereist bij elkaar optel, dreigt zich een diepe neerslachtigheid van mij meester te maken. De wijze les voor deze aflevering luidt dan ook: never nooit rekeningen bewaren. Doe je het toch, tel ze dan in elk geval nooit op. Ergens heb ik gefaald. Maar gelukkig faalt de klok nooit en voordat ik er erg in heb is het alweer vier uur. En dan wordt me door de vrouwelijke stuurman die ik heb aangemonsterd om dit lekkende schip door troebele wateren te loodsen, altijd een dubbele oorlam verstrekt. Thank Heavens voor dit troostrijke vocht van vaderlandse bodem!

 

Jan broers