De tijdmachine (Restauratie van MG TC nr 1772 dl 13) 

Kleine kinderen kunnen hinderlijk aanhoudend zijn met hun gevraag naar het waarom.  Zo wilde ik als kind graag weten hoe in het hoorspel van Paul Vlaanderen het geluid van een wegrijdende auto werd geïmiteerd.  U kent het wel, dat jankende geluid van de versnellingsbak als zo’n ouwe kar in de eerste versnelling wegrijdt. Mijn moeder, die connecties had bij het radiowezen, wist te vertellen dat dit geluid door een viool werd voort gebracht. Als ik nu met mijn krat uit de jaren vijftig op pad ga, hoor ik eerst de violen van de versnellingsbak een welluidend motief inzetten. Even later doet de ritme-sectie, aangevoerd door een rammelende rechter achterdeur, zich horen. En op volle snelheid gekomen, jubelen de dwarsfluiten en piccolo’s van de wind langs het schuifdak hun hoogste lied. Kortom, het rijden met zo’n oude auto is één grote symfonie.

Onlangs had ik het genoegen een ritje in ’n gloednieuwe Jaguar te mogen maken. Het interieur heeft weliswaar lederen bekleding, maar het gladde dashboard maakt een zielloze indruk en mist de organische en minerale bouwstoffen die oldtimers tot levende wezens maken. Tijdens het rijden vraag je jezelf voortdurend af of deze auto soms op zonne-energie rijdt; doodstil. De muziek komt uit een geluidsinstallatie welke koud en genadeloos het gehele -voor menselijke oren hoorbare- frequentiespectrum produceert. Alsof je in een gerieflijke fauteuil in de lounge van een luxe hotel naar zo’n kalmerend muziekje zit te luisteren. Saai, dodelijk saai. En dat is toch niet wat oldtimer-liefhebbers willen. Zeker de berijders van Engelse sportwagens niet. Die willen met brullende motor over een bochtige, onverharde landweg razen, terwijl de modderkluiten ze om de oren vliegen. En dan besef je dat de romantiek van het autorijden in de loop der jaren met de vooruitgang van de techniek, een zachte dood is gestorven. En oldtimerliefhebbers zijn romantici, mensen die graag bij tijd en wijle de werkelijkheid ontvluchten. Met een tijdmachine terug naar een tijd die beter en mooier leek dan de huidige. 

de nieuwe kuipMet de tijdmachine waarmee ik hoop terug te keren naar het jaar 1946, begint het weer een beetje te vlotten. Jan Gerards heeft  de laatste hand aan de kuip gelegd en zijn knappe werkstuk is inmiddels op het smachtend wachtende chassis geschroefd. Mooi blank gelakt houtwerk, degelijk metaal op een gloednieuw subframe ; alles handgemaakt door de meester zelve. Wat opvalt is dat de maten tot op de millimeter kloppen. Daardoor moreel gesterkt ben ik begonnen de achterspatborden en de motorkapdelen er op te schroeven. En dan kom je tot de ontdekking dat er verschillen zijn tussen nieuwe bullen en bullen die ruim zestig jaren lang zijn afgebeuld. Als je die aan elkaar probeert te koppelen ben je aan de beurt voor diepe frustraties. En op zulke momenten ben je dankbaar dat je sleutelvrienden hebt die deze emoties al vaker hebben doorstaan en inmiddels weten dat de soep niet zo beroerd smaakt als dat die er in eerste instantie uitziet. Want m’n eerste paniekreactie was een vlucht de digitale snelweg op, om te zien of er ergens op deze wereld  iemand nog toevallig een rechter achterspatbord van een TC had liggen. Vergeet het maar, zelfs in Achter-Beluchistan niet te vinden. Bleek gelukkig ook niet nodig. Nadat de erkende plaatwerker er links en rechts met tas en hamer tegen aan had gebeukt en het geheel als een natte dweil had uitgewrongen, kwam er zowaar weer een stukje plaatwerk tevoorschijn dat enige gelijkenis met een spatbord vertoonde. Diep respect voor deze staalplaatkunstenaars. 

kittenMaar de grote krachtmeting met het metaal vormen de voorspatborden. Momenteel zijn het nog ongekend misvormde -en gescheurde gatenkazen . Moeders had ze in de keuken nog leuk als vergiet kunnen gebruiken. Niet dat daar iets mis mee is, maar op een auto misstaan ze toch behoorlijk. Gelukkig is bij één van de twee voorspatborden nog iets van de oorspronkelijke vormen terug te vinden. Bert Petersen, plaatwerker/spuiter van beroep, zit al te kraaien van plezier bij de gedachte aan deze uitdagende klus. Met afgewend gelaat van afschuw hoor ik hoe hij fluks de rotte delen van één der spatborden afknipt, zodat er alleen een gekortwiekt vlerkje overblijft. “Komt allemaal weer goed”, zegt Bert opgewekt. Want als het moet kan hij ook een nieuw spatbord om een gat heen bouwen. Helaas zijn plaatwerkers geen goedkope werkkrachten en als ze aan de gang gaan, loopt je schatkist met een gorgelend geluid leeg. En dan is Bert nog niet eens één van de duurste.

Als hij ruim een half uur bezig is om één van de strak gemaakte -en gespoten deurtjes te polijsten, zeg ik dat ik met 99,9 % ook best tevreden ben. Hij kijkt hij me aan alsof hij net een ontzettend smerig en onzedelijk voorstel heeft gehoord.  “We gaan voor de 100 % procent, Broers, anders krijg je er spijt van”, is zijn standvastige antwoord.  “Vooruit dan maar ; de dood aan de gladiolen” denk ik dan , maar zie de toekomst niettemin met gemengde gevoelens tegemoet. Als de TC helemaal klaar is, rest me waarschijnlijk alleen nog maar een lege regenton om m’n schaamte mee te bedekken.  Maar ik denk wel dat er iets heel moois uit de bus gaat komen. 

Jan Broers